Ontwikkeling
telefoondienst regio Groningen
Deze tekst is ontleend aan de inleiding, gehouden door de heer Cor van Dam, te Warffum,
tijdens de opening van
het Telefoonmuseum te Godlinze op 20 juni 1997.
De ouderen onder ons herinneren zich vast nog wel de eerste telefoon, de palen in het landschap, de bovengrondse luchtlijnen.
Maar de jongeren weten nauwelijks nog hoe de telefoon functioneerde, hoe het lokaal batterijsysteem en het toestel met de zwengel werkte.
De ontwikkeling in grote lijn met een knipoog naar de lokale situatie wordt hierna uit de doeken gedaan.
Graham Bell introduceerde in 8176 de
telefoon in Amerika. Daar waren heel wat proeven aan vooraf gegaan.
In Nederland beet in 1881 Amsterdam de spits af. De gemeenteraad koos voor de Nationale Bell Telefoon Company. Dit was de meest geschikte naam voor de exploitatie.
Hieruit ontstond de NV Nederlandsche Bell
Telefoon Maatschappij. Deze maatschappij begon met het aanleggen en beheren van
telefoonnetten, in totaal 49 aansluitingen. Dit aantal breidde snel uit. Er
volgden grote steden zoals Rotterdam, Den Haag en plaatsen in het buitenland. Zo
ontstonden interlokale verbindingen met België. De telefoonverbindingen werden
in de meeste gevallen tot stand gebracht met bovengrondse verbindingen, de
zogenaamde luchtlijnen.
In 1887 ontstond door overname van de
particuliere interlokale telefoonnetten de Rijkstelefoondienst. In 1903 werd de
eerste telefooncentrale met een centraal batterijsysteem opgericht, waardoor de
slinger kon verdwijnen. Vervolgens werd in 1904 de eerste ondergrondse
telefoonkabel van Amsterdam naar Haarlem gelegd.
In 1911 werd de eerste (half)automatische
telefooncentrale Amsterdam-Zuid geopend. Het toestel met kiesschijf deed zijn
intrede. Men behoefde alleen de nul te draaien waarna de klep bij de telefoniste
viel. Die vroeg waarmee ze van dienst kon zijn waarna de verbinding tot stand
werd gebracht.
In 1922 werd het eerste volautomatische lokaal telefoonverkeer in Amsterdam-Centrum ingevoerd. In 1930 viel de beslissing het Nederlandse telefoonnet volledig te automatiseren.
Vanaf 1931 werd Nederland ingedeeld in
telefoondistricten. Toen ontstond bijvoorbeeld het Telefoondistrict Groningen.
De telefoondistricten werden onderverdeeld in dienstkringen, onder andere
Zuidhorn, Stadskanaal, Winschoten en Warffum.
In Groningen had de directeur met zijn staf het beheer over het district en de dienstkringen daaromheen. Vanuit het district werd alles voorgeschreven, bijvoorbeeld hoe de opbouw en het onderhoud van de telefoonnetten tot stand moest komen.
Een dienstkring had een dienstkringleider,
die een paar mensen om zich heen had om het werk uit te voeren.
In de dertiger jaren werd de telefoon
hoofdzakelijk gebruikt door mensen met bedrijfjes, boeren en enkele anderen
zoals de dokter, het gemeentehuis, de politie, notaris en hier en daar iemand in
de straat.
De mensen van de PTT brachten de telefoonverbindingen tot stand via de luchtlijnen. Dit was een heel karwei, want van dorp naar dorp waren er ook interlokale luchtlijnen en lijnen naar het districtskantoor in de stad Groningen.
In ieder dorp werd een centraalpost
geplaatst, waarop alle telefoonlijnen waren aangesloten. Daar kwam men terecht
als men een gesprek wilde met een andere abonnee. Het gebeurde wel eens dat de
lijn bezet was. Men kon dan van de telefoniste te horen krijgen: “Leg de hoorn
maar weer op, ik bel u wel als de lijn vrij is”.
Men had toen nog het lokaal batterijsysteem.
Hiermee wordt bedoeld dat de voeding, de spanning en de stroom voor het bellen
en het spreken thuis in het eigen telefoontoestel aanwezig was. Hiervoor werden
twee batterijen gebruikt voor het spreken (gelijkstroom) en een inductor
(wisselstroom) om de bel te laten rinkelen en de klep van de centraalpost te
laten vallen.
Doordat de telefoon praktische mogelijkheden
bleek te hebben groeide het aantal abonnees. Vooral voor de boeren, die vaak ver
buiten het dorp woonden, was de telefoon een uitkomst. Men kon “zomaar” even
bellen. Hoewel men voor de totstandkoming van de verbinding wel eens moest
wachten behoefde men niet meer met de fiets op pad om een bericht over te
brengen.
De centraalposten werden soms in kleine dorpen of gemeenschappen geplaatst. Ze waren met één lijn verbonden met een grotere post in het dorp. Zo was het ook in de Noordpolder in Warffum. Bij boer Bakker was een kleine centraalpost gevestigd. Hoewel daar de mogelijkheid was voor tien abonnees, waren er maar zeven aangesloten, ´s-Middags tussen 4.00 en 6.00 uur was de post gesloten, dan was men de koeien aan het melken.
In de dertiger jaren was er in ieder dorp
een bedrijfje dat zich bezig hield met centrale radio. De mensen kregen een
programmakiezer met een luidspreker in huis. Zo kreeg men via luchtlijnen twee
radioprogramma´s in huis. Toen de tweede wereldoorlog uitbrak was dat ineens
afgelopen.
De PTT nam na de oorlog alles over van de
eigenaren. De beheerder van de radiocentrale kon in dienst treden van de PTT
wanneer hij dat tenminste wilde. De centrale radio werd voortgezet door de
Rijksdienst PTT met vier programma´s.
Het was vervelend als men met de
telefoonlijn wat te dicht bij de radiolijn lag, want dan ontving men door de
inductie radio op de telefoon. Men kreeg dan wel waar voor z´n geld, maar
hinderlijk was het natuurlijk wel.
Vervolgens werd de draadomroep (zo noemde men dat toen) vervangen door kunststofkabels. Dat werkte stukken beter. Maar het mocht niet baten, want in de vijftiger jaren schafte iedereen z´n eigen radio aan. De draadomroep hield toen op te bestaan.
In de vijftiger jaren investeerden de PTT-diensten veel in de telefonie. De kleine posten verdwenen en werden geconcentreerd in de grotere dorpen. Nederland automatiseerde.
In Warffum werd een zogenaamde
knooppuntcentrale gebouwd. De centraalposten in de dienstkring Warffum werden
geconcentreerd in het PTT-kantoor in deze plaats. De telefoons uit de
dienstkring werden centraal gevoed met een Cinterloc Centraalbatterijsysteem.
Als men de nul draaide kwam men bij een van de 32 telefonistes terecht, die voor
de verbinding zorgden. Toen het knooppunt in Warffum
gereed was verdwenen alle bovengrondse lijnen.
De dienstkring Warffum was de laatste in
Nederland die werd geautomatiseerd. Op 22 mei 1962 werd dit op
feestelijke wijze gevierd. De gemoedelijkheid verdween daarmee ook. Als PTT-er
kwam je niet meer bij de kantoorhouder om een nieuwe abonnee op de centraalpost
aan te sluiten. Zoals in Garsthuizen bij de familie Hulst. Daar was ook een
centraalpost. Ze hadden een winkeltje, een bakkerij, tien melkkoeien en een café.
Je ging als PTT-er daar ´s-middags je brood opeten. Dan vroeg mevrouw Hulst: “Wil je even om de centraalpost denken, dan kunnen wij rustig eten”. Want alleen een PTT-er mocht dit werk overnemen, omdat hij daarvoor de eed had afgelegd.
Dan valt de klep van de post. De PTT-er vraagt: “Wat wenst u?”.
Beller: “Mag ik Jan Piet eêm?”
PTT-er: “Welk nummer het dei?”
Beller: “Bin joe Hulst din nait? Dat nummer wait ik nait. Din mout ik eêm op liestje kieken. Wat ´n boudel”.
|
Telefoondienst |